Dag 3 en 4 aan Harvard University: John F. Kennedy School of Government

Ik moet eerlijk zeggen dat ik een beetje verbaasd ben over een aantal van de deelnemers aan het Leadership Development Program aan Harvard. Er zijn 65 deelnemers, van over de hele wereld, die vrijwel allemaal een stuk ouder en meer ervaren zijn dan ik. Het zijn door de wol geverfde professionals die door hun bedrijven, universiteiten of organisaties naar Harvard zijn gestuurd om nog meer kennis op te doen over leiderschap. De top van het overheidsinstanties als het Pentagon en de FBI loopt hier rond, evenals afgevaardigden van topuniversiteiten als Vanderbilt in Zuid-Afrika en Indiana State University in Terra Haute en er zijn executives van bedrijven als Google, HSBC en Atos. Niet zomaar mensen dus. Maar het blijkt dat veel van hen zich geïntimideerd voelen door de groep. Ze vinden het eng om voor een groep van ‘gelijken’ te moeten staan of met hen in discussie te gaan. Veel van de conversaties in de ‘klas’ gaan daar dan ook over. Ik begrijp dat ergens wel, maar heb er zelf bepaald geen last van gelukkig. Waar ik meer problemen mee heb is de opzet van sommige onderdelen van het programma.

Zo eindigde de zeer lange colledag van vandaag (08:30 tot 20:30 uur!) met een sessie waarin twee mensen naar voren werden geroepen waarvan er een drie waarden in zijn hoofd moest nemen (bijvoorbeeld verantwoordelijkheid, integriteit en vertrouwen) en die woorden dan moest zingen naar de ander. Dus…

Ik ben een beetje allergisch voor dat soort dingen. Toen de zaal dus ineens in groepjes van twee personen hetzelfde moest gaan doen stelde ik mijn partner voor om The Sound Of Silence deel II op te gaan voeren. Daar ging hij maar al te graag mee akkoord, waarna we even foto’s gingen kijken op mijn iPad en ik snel een filmpje maakte van de mensen die wél aan het zingen waren. Waarop de helft van hen die dat zag direct in lachen uitbarstte.

De dagen zijn dus lang en er wordt ook elke dag college gegeven. Vrij in het weekend was er dus niet bij. Nog geen 15% van de colleges bestaan uit het krijgen van informatie van de Harvard professoren (met name Ron Heifetz -een erg bijzondere man- en Marty Linsky). De rest van de tijd bestaat uit onderlinge discussies in de zaal. Die gaan soms werkelijk alle kanten op. Ik ving vanmiddag een flard van een gesprek op waarin werd gezegd ‘Well, if I were a tomato..’ en: ‘I don’t like dishonest lentils.’ Wat ik qua inhoud van de eerste dagen vooral heb overgehouden is het verschil tussen technisch en adaptief leiderschap. Problemen die technisch van aard zijn, hebben een eenmalige (project)oplossing. Bijvoorbeeld: een medewerker heeft kennisgebrek over een programmeertaal. Oplossing: stuur hem of haar op een bijspijkercursus. Problemen waar echt leiderschap bij komt kijken zijn adaptief van aard. Zij kenmerken zich doordat er alleen een procesmatige oplossing is: je moet je aanpassen aan de steeds veranderende omstandigheden om tot een oplossing te kunnen komen. Bijvoorbeeld: een hele afdeling moet over naar een nieuwe werkmethode. Dat is niet te regelen door simpelweg de nieuwe methode te introduceren. Mensen zijn namelijk geneigd om te behouden wat ze al hadden en zullen (deels) in opstand komen. Ieder heeft andere belangen: de een vreest voor zijn baan, de ander krijgt andere taken die hij denkt niet uit te kunnen voeren, weer een ander werkt er al 20 jaar en gelooft niet in al die nieuwerwetse flauwekul… voordat je iedereen op een lijn hebt, ben je heel wat tijd en moeilijke stappen verder: ‘People want you to solve problems with as little pain as possible for them. We have to challenge people’s convictions at a rate they can stand.’ Dan komt adaptief leiderschap dus om de hoek kijken. De basis daarvan is je er voortdurend van bewust te zijn dat je eigen belangen niet per se die van andere belanghebbenden zijn.

In de pauzes heb ik vaak leuke gesprekken. Eén van de Google executives vertelde me al 8,5 jaar bij Google te werken. Toen ze begon werkten er 700 mensen. Inmiddels zijn dat er 26.000, waarvan ongeveer de helft in Mountain View. De manier waarop ze beschreef hoe Google in die starttijd was deed me wel héél erg aan XS4ALL denken in de beginjaren. Ook een platte organisatie, waarin iedereen kon doen wat hij wilde en waar je soms zonder enige ervaring met een bepaalde tak daar toch aan begon, simpelweg omdat er iemand nodig was. Erg leuk om te horen.

Een ander boeiend gesprek dat ik had was met een van de topmedewerkers van het Pentagon, toevalligerwijs ook een vrouw. Zij werkte al 26 jaar bij de federale overheid en zat nu in de 1-na-hoogste schaal bij het Pentagon. Haar man was lid van het korps mariniers, dus haar hele leven stond in het teken van het leger. Mijn eerste indruk van haar, toen ik haar alleen nog maar gezien en nog niet gesproken had, was dat ze heel streng en afstandelijk was. Dat had ik helemaal mis. Ze bleek erg open en gezellig te zijn en terwijl ik jaloers was op het werk wat zij deed, was zij jaloers op hoe mijn leven de afgelopen tien jaar was geweest. Een andere (oudere) vrouw uit het gezelschap had dat kennelijk ook al, want zij kwam vanavond op me af en zei: ‘I wanna be you when I get younger.’ En ik de hele tijd maar denken: ‘goh, wat doen jullie leuke dingen.’ 🙂

Een laatste boeiend gesprek had ik met iemand van de FBI. Hij gaf een opvallend openhartig kijkje in de keuken van de FBI, met name op organisatorisch gebied. Ik heb behoorlijk inzicht gekregen in hoe de FBI wordt gerund. Maar ik geloof niet dat het de bedoeling is dat ik daar over ga bloggen, dus helaas… Dat is overigens sowieso wel een aardige bijkomstigheid van het programma: omdat er echte casussen worden besproken waar mensen mee zitten, hoor je soms dingen waarvan je denkt: ‘goh, is dit niet heel erg vertrouwelijk eigenlijk?’ Maar kennelijk is er voldoende vertrouwen richting de groep waardoor mensen toch aardig wat delen.

Nou, nog even één inhoudelijke alinea dan: waar moet je nu zoal rekening mee houden als je een adaptieve uitdaging voor je hebt? Het antwoord is: een hele waslijst aan factoren. Maak er maar eens een lijstje van en bedenk in hoeverre je meestal géén rekening houdt met dit soort zaken, terwijl ze allemaal een rol spelen bij de manier waarop belanghebbenden naar hun situatie kijken: gender, race, religion, ethnicity, expertise, competence, participation, inclusion, values, order, structure, belonging, autonomy, ambiguity, dominance, prominence, personality, MBTI (ik heb gisteren direct maar even een MBTI test gedaan op internet, ik ben een ENFJ. Als je niet weet wat dat is: google maar).

Verder is het zwaar om de hele dag binnen te zitten, vaak in ruimtes zonder ramen. En ik heb nog steeds waanzinnig last van mijn jetlag. Donderdag in de VS geland, maar gisteravond (zondag) ging ik nog steeds al om 22:00 naar bed. Pas vandaag lukt het me om langer wakker te blijven, wat denk ik deels komt doordat ik net even ben gaan hardlopen. Interessante en grappige quotes van de colleges kwamen daarbij nog even in me op. Zo wist ik niet (althans, niet zo precies) dat er in de VS heel veel operaties worden uitgevoerd die simpelweg niet nodig zijn (!), maar toch gebeuren omdat artsen daar geld voor krijgen. Een leuke anecdote die ik hoorde was die van een Tasmaanse pokerspeler die een fortuin won, daarmee een museum voor moderne kunst liet bouwen en vervolgens bij kunstwerken vroeg: vindt u het leuk of niet? Kunstwerken die heel veel positieve reacties kregen… haalde hij weg. ‘Too comfortable.’ En tenslotte was er natuurlijk nog de uitsmijter van Ron Heifetz, toen hij over politiek en adaptieve uitdagingen sprak: ‘What do you call a politician that learns? A flip-flopper.’

Afijn. 4 dagen gedaan, nog 4 te gaan.

This entry was posted in Politiek, Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *