De wereld op zijn kop

Yang sprak over de talloze nederlagen die China in de afgelopen eeuwen heeft geleden. Over de vele miljoenen doden die in hongersnoden, oorlogen en andere rampspoed vielen. Over de 75 jaar armoede in de laatste 100 jaar. Over de ondankbaarheid van de Koreanen, die 20 miljard dollar aan Chinese hulp hadden gekregen tijdens de Koreaanse oorlog, maar die de Chinezen desondanks tot in hun diepste vezels haten. Over de komst van Hu Yaobang en zijn modernisering en economische opbouw van het China na Mao. Over Deng Xiaoping's zuidelijke “Let People Get Rich' tour in 1992. En over het China van nu, waar de rijken rijker worden en de armen uitgebuit worden. Waar de Communistische Partij nu in feite de Kapitalistische Partij is. Waar eigendommen en belangen van de rijken worden beschermd en waar de armen worden uitgebuit. Waar van een eerlijke distributie van welvaart geen sprake is.

We vroegen hem naar de jonge meisjes die hier in de kantine werken. “Some of them are definitely below 16 years of age', wierpen we hem voor de voeten. Hij negeerde de vraag, praatte er omheen. Ook toen we aandrongen en de vraag op andere manieren stelden. Net zoals hij niet tijdens de les iets wilde zeggen over die welvaartsverschillen in China. Maar na afloop, toen we met een paar mensen nog bleven hangen om verder te praten, was hij spraakzamer. En hij vertelde toen bijvoorbeeld ook over de enorme corruptie in China. Scholen die elke keer excuzen verzinnen om nog meer geld aan ouders te vragen. Geld dat vervolgens in de zakken van het bestuur verdwijnt. En hij vertelde over de sociale zekerheid in China. Dat rijken, ouderen en hoog opgeleiden 10% moeten betalen aan medische kosten en dat lager opgeleiden en armen 25% moeten betalen. De wereld op zijn kop.

Maar dat is China soms, de wereld op zijn kop.

Ik kan mijn eigen rijkdom niet meer aanzien. Ik kan de armoede van zoveel mensen hier niet meer aanzien. Die 100 yuan was het begin. Ik heb nog twee maanden te gaan. Vanwege die corruptie zal ik niks geven aan officiële instanties, maar alleen aan mensen van wie ik weet wie ze zijn, wat ze hebben en wat ze willen.

Misschien ben ik daarmee wel een heel fout voorbeeld van westerse arrogantie. Maar eerlijk gezegd voelt het heerlijk om eens persoonlijk mensen te kunnen helpen waarvan je weet dat ze het nodig hebben, in plaats van geld te doneren aan een goed doel waarvan je nooit weet waar het precies terecht komt en hoeveel er aan de strijkstok blijft hangen. En ik weet, het zijn maar druppels op een gloeiende plaat, maar ik vind het beter dan niets.

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*