Interview Aboutaleb: ‘Ik wil boven de partijen staan, mét een kleur’

Hij werd verkozen tot beste lokale bestuurder van 2014, maakte wereldwijd indruk met de uitspraak dat islamitische jongeren die niet van de Nederlandse vrijheid houden beter kunnen oprotten en tekende voor zes jaar bij als burgemeester van Rotterdam. In gesprek met Ahmed Aboutaleb over een Egyptische zangeres, zijn wens om mensen te verbinden zonder kleurloos te zijn en over de verschillen tussen Rotterdam en Amsterdam.

Was het je ultieme droom om burgemeester te worden?
‘Ik wilde altijd dichter worden. Als kind luisterde ik naar muziek van de legendarische Egyptische zangeres Umm Kulthum. Haar teksten vond ik geweldig. Ik was toen een jaar of twaalf.’

Veranderde die droom toen je naar Nederland kwam?
‘Tot die tijd lag mijn interesse vooral bij de alfa-vakken. Ik was goed in letterkunde en voor aardrijkskunde leerde ik alle bergen met bijbehorende hoogten uit mijn hoofd. Maar ik raakte in de ban van wiskunde en deed uiteindelijk een technische opleiding op de HTS. In het maatschappelijk leven werd ik gevormd door vrijwilligerswerk bij de 4-5 mei vereniging in Den Haag en ik werd actief in de vredesbeweging. Ik was daar min of meer bij toeval mee in aanraking gekomen, dankzij twee Marokkaanse mannen die mij overal introduceerden. Daarmee begon mijn sociale engagement.’

Wat was je drijfveer om actief mee te gaan doen?
‘Ik vind dat je altijd moet proberen een bijdrage te leveren. Met mensen die klagen kan ik niet zoveel. Ik heb liever mensen die helpen met oplossingen. Toen ik vier à vijf jaar in Nederland was, gaf ik Nederlandse les aan andere nieuwkomers. Ik vind dat we elkaar moeten helpen.’

Hoe heb je dat in de jaren daarna vormgegeven?
‘Ik probeerde telkens posities te vinden waarin ik een verschil kon maken. Eind jaren ’90 leerde ik VVD-politicus Hans Dijkstal kennen. Hij introduceerde mij bij de Tweede Kamerfractie van de PvdA. Dat was in de periode van Wallage, Melkert en Wöltgens. Daarna werkte ik als voorlichter bij de SER. Ik leerde veel over pensioenen, ziektewetgeving, kenniseconomie en hoe je inflatie berekent. Alle grote thema’s. Het voelde soms alsof ik in een collegezaal zat. De volgende stap was directeur van Forum, een onderzoeksinstituut voor multiculturele vraagstukken. Zes jaar later werd ik voor de PvdA wethouder in Amsterdam. Overigens heb ik sinds 1986 nooit iets anders dan PvdA gestemd.’

Inmiddels zit je eerste termijn als burgemeester van Rotterdam erop. Je hebt ongetwijfeld veel geleerd. Heb je ook fouten gemaakt?
‘Het is altijd lastig om op die manier over je functioneren te spreken. Een wijze les die ik proefondervindelijk heb vastgesteld, is dat je actief de straat op moet gaan. Je moet oppassen dat je niet teveel opgezogen wordt door de instituties van een gemeente: de raad, lobbyisten, mensen die de weg al weten te vinden. Die instituties zijn natuurlijk waardevol, maar burgers en kleine ondernemers vinden de weg naar het stadhuis minder makkelijk. Die moet je opzoeken. Je moet hen letterlijk het stadhuis binnenhalen, bijvoorbeeld door een lunch te organiseren voor een actiegroep.’

Een andere les: als verantwoordelijke voor openbare orde en veiligheid is het belangrijk om burgers middelen te bieden om zelf over oplossingen mee te denken. Dat heb ik gedaan door de klassieke driehoek (burgemeester, korpschef en officier van justitie) openbaar te maken. Concreet betekent dat: samen met de korpschef en de officier van justitie de wijken ingaan om met mensen te praten. Gemeentelijke diensten sluiten hierbij aan. We kunnen klachten sneller naar oplossingen vertalen, omdat we er bovenop zitten. Ook kunnen we bewoners nadrukkelijker aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid.

Een derde leerpunt heeft te maken met de strandrellen in Hoek van Holland, maar ik weet niet of je mij dat persoonlijk aan moet rekenen. Informatie over de hooligans die daar wilden losgaan bereikte mij en de korpschef niet. Ik was pas net burgemeester en had nog geen reden om processen anders in te richten. Pas bij de rellen bleek dat de procedures beter konden. Inmiddels is daar veel aan veranderd. Ik word bijvoorbeeld eerder geïnformeerd. Ook hebben we bij de politie een snelle interventie-eenheid met 90 mensen ingericht. Zij kunnen overal in de regio binnen een half uur ingezet worden. Daarnaast is de toestemming verruimd voor het gebruiken van de lange lat en is het communicatiesysteem voor de hulpdiensten verbeterd.’

Welke zaken hebben je verrast in het burgemeesterschap?
‘Ik wist door mijn functioneren als wethouder naast Job Cohen al het een en ander van het lokaal bestuur. Ik had ervaring met economische zaken, met sociale vraagstukken en, als gevolg van de moord op Theo van Gogh, helaas ook met het managen van een crises. Maar de haven was voor mij een black box. In het begin was er kritiek. Ik was niet snel genoeg naar de haven gegaan. Maar ik had in Rotterdam een inwerkprogramma van zes maanden waar de haven gewoon onderdeel van was. Dus of dat nu heel terecht was? Ik voel me inmiddels echt een havenman. Ik promoot de haven veel. Ik heb een half uur geleden toevallig net een Chinese admiraal op bezoek gehad en ik ga zo’n vier à vijf keer per jaar met een grote delegatie op handelsmissie naar het buitenland.’

Je bent in Amsterdam wethouder en directeur van de bestuursdienst geweest. In welk opzicht is Rotterdam anders dan Amsterdam?
‘Het zijn twee verschillende maar complementaire steden. Amsterdam lijkt gebouwd te zijn op sociale schokdempers. In Rotterdam stuitert alles. De twee steden hebben elk een eigen DNA. In Amsterdam is geprobeerd een lokale Leefbaar-partij te starten. Dat lukte niet. De schokdempers pruimden dat niet. In Rotterdam is Leefbaar Rotterdam juist een gevestigde politieke partij, ontstaan uit de beweging van Pim Fortuyn. En in Rotterdam gaat iedereen prat op de mentaliteit van hard werken. Die mentaliteit heeft ervoor gezorgd dat Rotterdam de stad is geworden die zij nu is. Amsterdammers vinden het meer vanzelfsprekend om als wereldstad op de eerste rij te zitten.’

Is de bestuurscultuur ook anders?
‘Ja, en dat zie je aan alles, ook aan het type burgemeesters. Ivo Opstelten was geen Job Cohen, zoals ik geen Eberhard van der Laan ben. We doen dingen op onze eigen manier. We lobbyen ook op een andere manier en op andere thema’s. Bij ons gaat het vaak over sociaaleconomische onderwerpen zoals werk en zorg, terwijl het in Amsterdam bijvoorbeeld gaat over de komst van een nieuwe sluis.’

Je bent de laatste tijd veel in het nieuws geweest, onder andere met de ‘rot op’ uitspraak bestemd voor extremisten die de wapens op willen pakken. Is dat ook een Rotterdamse uitspraak?
‘In 2002 was mijn boosheid over dat soort mensen niet minder dan nu. Toen zei ik alleen dat sympathisanten van de moordenaar van Theo van Gogh ‘‘hun koffers moesten pakken”. Als ik toen in Rotterdam had gewoond, had ik ongetwijfeld een uitdrukking als “rot op” gebruikt. Maar in de kern is mijn denken daarover niet veranderd.’

Is het radicaliseren van jongeren te voorkomen?
‘Je moet weerstand organiseren en in gesprek gaan. Naar aanleiding van Charlie Hebdo heb ik een aantal bijeenkomsten georganiseerd om met mensen te praten, in moskeeën en elders. Ik luister dan de hele avond en spreek pas aan het eind. Ik zei daar: “als er nog zoveel achterstanden zijn in de islamitische gemeenschap op het gebied van onderwijs en werk, dan begrijp ik niet dat het kennelijk belangrijker is om in Jemen een kalasjnikov  te leren bedienen dan hier onderwijzer te worden.” Ik snap die prioriteiten niet.’

Laatst zei een vijftienjarige vmbo-leerling met Marokkaanse achtergrond over autochtone leeftijdgenootjes:  ‘maar ik ben toch niet hetzelfde als zij, ik word toch anders behandeld?’ Als burgemeester val je extremisten aan, maar anderen voelen zich hierdoor ook aangesproken. Hoe ga je om met die gevoeligheden?
‘Ik vind het fascinerend dat dit gebeurt. Als je de gebeurtenissen in Parijs veroordeelt, eis ik bijna dat daar geen ‘maar…’ achteraan komt. Dat jonge kinderen het moeilijk vinden om mijn betoog te volgen, begrijp ik. Mijn “rot op” is natuurlijk niet voor hen, hun ouders en andere welwillende mensen bedoeld.’

Maar dat geloven ze niet?
‘Ik ben ook anders behandeld omdat ik uit het buitenland kwam. Ik besloot als jongere niet naar discotheken te gaan om te voorkomen dat ik geweerd zou worden. Ik ging expres naar de andere kant van de straat als er ‘s avonds een oude vrouw liep, om te vermijden dat ik als tasjesdief werd gezien. Ik deed van alles om zelf niet weggezet te worden. En ik word nog steeds dé moslimburgemeester genoemd. Me daartegen verzetten heb ik opgegeven, maar voor mij was het in het begin ook moeilijk. Daarom hoop ik dat zo’n vijftienjarige scholier begrijpt dat ik zijn gevoelens herken. Maar ik hoop ook dat hij naar mijn advies luistert: je dient je lot en positie het beste door je tegen extremisten te keren. Door zelf op een positieve manier aan je toekomst te bouwen. De zon gaat morgen niet briljanter schijnen, maar het is wel een beter vertrekpunt.’

Ligt de sleutel bij kinderen zelf?
‘Nee, het begint bij de ouders. Als een kind van vijf jaar in Amsterdam-West “dood aan de joden” roept dan heeft hij dat niet zelf bedacht. Dat kind ontvangt geen openbaringen maar heeft die tekst ergens vandaan. Hij heeft het thuis gehoord, of op straat.’

En wat is jouw rol als burgemeester?
‘Je kunt niet voorkomen dat er fanatici opstaan die denken dat ze een verheven vorm van religie hebben. Die denken dat ze het goddelijk recht hebben mij en jou te corrigeren, al dan niet met een kalasjnikov. Die mensen kun je niet meer deprogrammeren. Dat is valse hoop. Maar voor anderen geldt: investeren in onderwijs is het antwoord. Daarom breiden we in Rotterdam-Zuid de leertijd voor kinderen uit met acht uur per week. Dat betalen we deels zelfs, deels komt er geld van het Rijk. Daarnaast hebben we al langere tijd een unit die zich bezighoudt met het signaleren van onbehagen en radicalisering. We luisteren daarbij niet alleen, maar reiken ook de hand aan ouders en scholen.’

Waar hebben kinderen behoefte aan?
‘Aan een gidsfunctie. Ze willen weten: hoe verhoud ik mij als Nederlander tot een islamitisch geloof, hoe gaat dat samen? Een deel van het antwoord moet van de religieuze gemeenschap zelf komen. Zij moeten bijvoorbeeld goed nadenken over de imam die voorgaat: is dat iemand die elke vrijdag over het conflict tussen Israël en Palestina preekt, of juist over de gemeenschap hier? Kies lokale thema’s, praat bijvoorbeeld over de ontwrichting van Nederlandse gezinnen of over het vinden van werk. Dat soort zaken.’

Heb je als burgemeester voldoende invloed?
‘Ik heb een makelaarsfunctie als burgemeester, maar klare taal is daarbij tegenwoordig ook gangbaar. Een burgemeester was altijd een kleurloos figuur boven de partijen en achter de schermen. Ik wens boven de partijen te staan mét een kleur. Ik wil energie steken in het verbinden van mensen, maar ook met duidelijke bewoordingen grenzen stellen.’

Je hebt net bijgetekend als burgemeester, wat kunnen we van je verwachten? Waar zet je op in?
‘Ik wil doorgaan met wat ik nu doe. Er is veel werkloosheid, ook onder jongeren. Ik heb geen reden om tevreden achterover te leunen. Het is ook de komende zes jaar hard werken geblazen.’

Gepubliceerd in: Lokaal Bestuur, maart 2015
Geschreven door: Kirsten Verdel

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

One Response to Interview Aboutaleb: ‘Ik wil boven de partijen staan, mét een kleur’

  1. Pingback: Hoogte- en dieptepunten van 2015 | Kirsten Verdel

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*