Beste IDFA-film: Hitler’s Children


Gisteravond zag ik mijn 15e en tevens laatste film op het IDFA, het International Documentary Film Festival Amsterdam. De laatste bleek tevens verreweg de beste te zijn. De titel intrigeerde me al: ‘Hitler’s Children’. De omschrijving van de film nog meer: de documentaire bleek te gaan over kinderen en kleinkinderen van onder andere Göring, Goebbels, Göth, Höss, Frank en Himmler. Wat voor gevolgen had het dragen van die achternamen voor die mensen, was de vraag.

Voordat ik naar de documentaire ging zei iemand al: ‘Pfff, ze kunnen toch gewoon hun naam veranderen?’ Dat bleek zoals ik al verwachtte veel te kort door de bocht te zijn. Direct in het begin van de film adresseerde een van de naamdragers die vraag al. Zij zei: ‘Ik héb mijn achternaam veranderd. Maar dat is alleen maar extern zichtbaar. Nu moet ik het voor mezelf nog verwerken.’ En dat bleek oneindig veel moeilijker voor veel van de naamdragers. Gaandeweg de documentaire zouden we daar steeds ergere voorbeelden van te horen krijgen.

Zo zal ik niet snel vergeten dat een zoon van één van de Nazi’s vertelde over zijn familie. Een van zijn zussen was na de oorlog naar Zuid-Afrika verhuisd, omdat de apartheid haar wel beviel (…). Het laatste contact dat hij met haar had was telefonisch. Ze zei toen dat zij en haar man nog eens hadden uitgerekend dat het vergassen van 6 miljoen joden 1,6 seconde per jood gekost had moeten hebben, en dus onmogelijk was. Woest had hij opgehangen. En haar nooit meer gesproken.

Het heftigste verhaal was echter dat van de vrouw (kleindochter van Göring) die vertelde dat zij en haar broer zich hadden laten steriliseren, omdat ze wilden dat de bloedlijn van haar verschrikkelijke grootvader zou eindigen. Die mededeling vond ik echt schokkend. Het was hun grootvader, zij hadden zelfs niets fout gedaan, maar toch was hun schuldgevoel en hun leed, woede en frustratie kennelijk zo groot, dat ze dit ultieme offer brachten.

In weer een ander verhaal werd verteld dat een van de Nazi’s na de oorlog was berecht en opgehangen, op 46-jarige leeftijd. Een van de dochters zei nooit ouder te willen worden dan haar vader was geworden. Toen ze zelf 46 was pleegde ze zelfmoord.

En zo ging het maar door met vreselijke verhalen. Mensen die waren geëmigreerd om de voortdurende herinnering aan de daden van hun ouders of grootouders te verdringen, emotionele ontmoetingen met Holocaust overlevers, familieconflicten, enzovoorts. Het was echt heel heftig.

Eén van de verhalen ging over Rainer Höss (http://twitter.com//rainerhoess), kleinzoon van Rudolf Höss, de kampcommandant van Auschwitz. Hij was als kleine jongen opgegroeid in de villa van zijn vader, die pal aan Auschwitz grensde. Even voor de beeldvorming: Rainer was 8 toen de oorlog eindigde. In de documentaire vertelt hij over de villa. Dat ze altijd vrolijk buiten speelden en niet het hek uit mochten. De kinderen hadden geen idee wat er aan de andere kant van de poort te zien was. Die poort was namelijk de afscheiding met het vernietigingskamp. Zijn ouders hadden dat altijd verborgen weten te houden voor de kinderen.

Samen met een Joodse journalist, kleinzoon van grootouders die in Auschwitz waren vermoord, reist hij per trein naar het kamp. Daar blijkt de villa nog intact te zijn. Ze lopen naar de bovenste verdieping, waar het vernuft van de ouders zichtbaar wordt: ramen met uitzicht op het kamp hebben getint glas, waardoor de schoorstenen en barakken onzichtbaar werden. Rainer heeft het duidelijk vreselijk moeilijk met het weerzien van de plek waar hij opgroeide, terwijl zijn vader ‘elke dag zijn kleren aantrok, zijn baret opzette, zijn moeder een kus gaf en aan het werk ging om enkele duizenden mensen te vermoorden.’ Maar de Joodse journalist heeft het er nog veel moeilijker mee… na het bezoek aan de villa en bijbehorende tuinn zegt hij tegen Rainer: ‘Kom, nu gaan we naar de achtertuin van míjn familie.’ Je voelt een soort ondertoon van cynisme in zijn stem. Maar niet een cynisme dat per se negatief bedoeld is, maar meer… tja… probeer maar woorden te bedenken voor wat iemand voelt als hij het over de Holocaust heeft…

Het verhaal verschuift weer even. Een van de kleindochters van een Nazi vertelt dat veel naamdragers, maar ook andere Duitsers die met de daden van hun ouders en grootouders worstelen, vaak kiezen tussen óf rigoureus breken met hun familie óf juist onconditioneel van hen houden, waarbij ze hun daden dus simpelweg negeren. De vrouw vertelt er zelf tussen te hangen: ze wil niet breken, maar van hen houden is ook erg moeilijk. Het is een levenslange worsteling.

Terug naar Rainer: nog in Auschwitz wordt hij gevraagd een groep Israelische kinderen toe te spreken. Dat doet hij. Gevraagd of hij zich schuldig voelt voor de daden van zijn grootvader. ‘Ja,’ is het antwoord direct. Niet veel later komt een oudere man binnen, die naar Rainer loopt en hem de hand schudt terwijl hij zegt: ‘Ik ben een Holocaust overlever. Het is niet jouw schuld.’ Dan kan Rainer zijn tranen niet meer bedwingen. De Joodse journalist kijkt toe en geeft na afloop commentaar aan de camera. Hij is nog steeds cynisch en een eindeloos diepe pijn komt duidelijk naar boven als hij zegt dat het zo te makkelijk is. Dat het te snel ging. Dat het hartstikke mooi is dat Rainer dit zo meemaakt, maar dat het hiermee niet afgelopen is, niet afgesloten kan worden. Zo simpel is het niet. Zo moeilijk is het.


One response to “Beste IDFA-film: Hitler’s Children”

  1. 6e allinia. die jongen (rainer) is daar natuurlijk niet opgegroeid. Het is een achterkleinkind

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *